Zijn ogen keken me glazig aan. Ze hadden een wijze uitdrukking. En toch, hoe langer ik keek, hoe langer de weerkaatsing van vermoeidheid door zijn ogen schenen. Er kwam een gevoel van medelijden in me naar boven. Zijn blik zei verdriet. ‘Kom naast me zitten, lieve schat’. Langzaam liet ik me naast hem zakken op het oude houten bankje. Nog altijd starend naar zijn gezicht. Rimpels telde ik als de ringen van een boom, als de jaren van zijn leven. Misschien zag hij er wel ouder uit dan ik dacht, maar al snel bevestigde hij mijn schatting.  ‘Ik heb hier 60 jaar gewoond en 14 jaar in een ander land.’ Hij keek naar boven, zuchtte en vervolgens keek hij terug naar mij. Zijn trillende handen reikten naar de binnenkant van zijn jaszak. Met de linker hand hield hij zijn rits vast en met de rechter haalde hij een boek uit zijn binnenzak. ‘Ik ben te oud voor boeken. Ik heb genoeg boeken in mijn leven gezien. Dit was mijn laatste.’ Hij lachte zacht, maar niet helemaal oprecht. Zijn opmerking vond ik gek. Ik wilde niet weten waarom hij te oud was om te lezen, maar de enige reden dat er zou kunnen zijn is dat hij wist dat zijn tijd bijna was gekomen. Ik kreeg een brok in mijn keel. Deze man heb ik nooit gekend, en toch doet het mij verdriet. Onze ontmoeting was tegelijkertijd een afscheid. ‘Wil je mij één ding beloven?’. Ik knikte, maar zei niks. Ik bleef hem maar aanstaren. ‘Neem dit boekje mee. Als je morgen ochtend opstaat ga je eerst een kop koffie zetten. Dan fris je jezelf op en neem je een heerlijk plekje bij het raam. Dan pas mag je het lezen. Niet eerder, niet later.’ Stom verbaasd knikte ik weer. Mijn mond nog een rechte lijn en mijn lichaam verstijft. Als een verstijfd, bang hert in schijnende koplampen. Ik pakte het boek aan en zonder er naar te kijken liet ik het rusten op mijn schoot. ‘Spoken bestaan niet, maar je kijkt alsof je er een ziet?’ Zijn bescheiden humor zorgde voor een extra sprong van het kloppen van mijn hart. Wat moet ik hier nou mee? Waarom geeft hij dat boek aan mij? Maar al mijn vragen waren overbodig. Zo raakte ik alleen maar afgeleid. Ik kreeg geen tijd meer om naar hem te kijken, hem in me op te nemen. Met gekreun probeerde hij zijn oude, versleten lichaam weer op gang te krijgen en met het laatste beetje kracht kreeg hij het voor elkaar om nog redelijk soepeltjes op te staan. ‘Gooi het niet weg, maar lees het gewoon. Men kan de tijd niet terug draaien en ook niet goed maken. Wees wijs en doe jezelf een plezier.’ Dat waren zijn laatste woorden voordat hij me aan mijn schouder vast pakte en even kneep. Zoals opa’s doen als ze trots op je zijn. Ik liet het toe. Mijn lichaam was er, maar mijn geest elders. Toen liep hij met kleine, korte stappen weg, maar alsnog te snel voor mij. Ik had hem langer willen horen, maar zo gaan die dingen nou eenmaal. Ze komen en gaan wanneer ze willen. Nadat ik hem uit het oog was verloren was ik weer volledig op aarde. Terug in mijn lichaam. Ik voelde de koude wind en keek voor een tijdje omhoog. De lucht was grijs en liet merken dat het snel kon gaan regenen. Pas daarna keek ik weer omlaag, naar het boek in mijn schoot. De titel was alles waardoor mijn tranen begonnen te lopen.

‘Voor mijn dochter’.

 

Geef een reactie